Hoge Raad 2001-06-08 — Civiel recht Civiel recht; Insolventierecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, zaaknummer C99/298HR, cassatie. Kernvraag — Heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd voor kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW? En heeft het hof de feitelijke grondslag van het verweer van verweerder aangevuld door hem een verweer toe te dichten dat hij niet had gevoerd? Feiten — Panmo Produktie B.V. is in 1992 failliet verklaard. De curator heeft onder anderen verweerder, voormalig bestuurder en later procuratiehouder van Panmo, aangesproken tot betaling van het faillissementsdeficit op grond van art. 2:248 lid 7 BW (beleidsbepaler als ware hij bestuurder). Een van de aan het bestuur verweten gedragingen was dat de facturen van de Italiaanse leverancier Jeanserie — bestemd voor het in financiële moeilijkheden verkerende Scarpa — in de administratie van Panmo zijn geboekt, waardoor Panmo het risico van een oninbare vordering op Scarpa aanvaardde. De rechtbank oordeelde dat kennelijk onbehoorlijk bestuur bewezen was; het hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering tegen verweerder af. Oordeel hof — Het hof stelde voorop dat art. 2:248 BW roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag vereist en dat bij twijfel het voordeel van de twijfel aan bestuurders toekomt. Met betrekking tot de Jeanserie-facturen oordeelde het hof dat het bestuur weliswaar een groot financieel risico had aanvaard, maar dat dit risico "in het kader van de pogingen van het bestuur om omzet e…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken