ECLI:NL:HR:2002:AD5163

Hoge Raad 2002-03-12 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, zaaknummer 01584/00, cassatie. Kernvraag — Op welke wijze dient de dagvaarding in strafzaken aan de verdachte te worden betekend, en wanneer staan betekeningsgebreken dan wel niet-naleving van aanvullende regels omtrent het aanwezigheidsrecht in de weg aan verstek-berechting? Feiten — De verdachte werd door het Hof Arnhem bij verstek veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor poging tot diefstal, diefstal en bedreiging. De inleidende dagvaarding in zaak A werd op 11 november 1997 aan de griffier uitgereikt wegens onbekende woon- of verblijfplaats, terwijl de verdachte van 14 oktober tot 20 november 1997 wél stond ingeschreven in de GBA op een adres in zijn woonplaats. De inleidende dagvaarding in zaak B werd op 24 september 1997 eveneens aan de griffier uitgereikt, terwijl de verdachte bij zijn verhoor op 23 juni 1997 had verklaard post te ontvangen op het adres [b-straat 1] en "rond te zwerven" in zijn woonplaats; niet was gepoogd de dagvaarding aan dat opgegeven adres aan te bieden. Oordeel hof — Het Hof behandelde beide gevoegde zaken bij verstek en ging kennelijk voorbij aan de gebrekkige betekening in eerste aanleg, zonder dit nader te motiveren. Het bekrachtigde aldus een gang van zaken waarbij noch het GBA-adres noch het door verdachte opgegeven adres bij de betekening was betrokken. Overwegingen — De Hoge Raad benut de zaak voor een uitvoerige, ambtshalve samenvatting en actualisering van z…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken