ECLI:NL:HR:2003:AF0168

Hoge Raad 2003-01-17 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, zaaknummer C01/162HR, cassatie. Kernvraag — Staat een contractueel verpandingsverbod (gebaseerd op art. 3:83 lid 2 BW) in de weg aan de geldigheid van de verpanding van een vordering, en kan de pandhouder die te goeder trouw is of een beroep doet op art. 3:36 BW daaraan ontkomen? Feiten — [B] B.V. heeft aan Oryx een pandrecht verschaft op al haar bestaande en toekomstige vorderingen als zekerheid voor een lening. [B] verkreeg uit onderaanneming een vordering van ƒ 65.679,91 op [A] v.o.f., van welke vennootschap verweerster vennoot was. De onderaannemingsovereenkomst bevatte in art. 6 een beding dat [B] verbood haar uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming van [A] aan een derde te cederen, te verpanden of onder welke titel dan ook in eigendom over te dragen. De vordering op [A] werd desalniettemin op pandlijsten ten behoeve van Oryx opgenomen. Oryx was niet op de hoogte van het verpandingsverbod. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat [B] niet bevoegd was tot verpanding van de vordering omdat de overdraagbaarheid ervan wordt bepaald door de rechtsverhouding tussen [B] en [A]. Het feit dat Oryx te goeder trouw uitging van de beschikkingsbevoegdheid van [B] en een beroep op art. 3:36 BW kunnen haar tegenover [A] niet baten. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank waarbij de vordering van Oryx werd afgewezen. Overwegingen — In r.o. 3.4.1-3.4.2 verwerpt de Hoge Raad het cassat…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken