ECLI:NL:HR:2013:63

Hoge Raad 2013-06-28 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, zaaknummer 11/04152, cassatie. Kernvraag — In hoeverre kan de inspecteur in het kader van het Rekeningenproject (KB-Lux) het bewijs dat beboetbare feiten zijn begaan leveren door middel van een bewijsvermoeden, en over welke jaren strekt dit bewijsvermoeden zich uit zonder in strijd te komen met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM? Feiten — Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV over 1990–1995 en VB over 1991–1996 opgelegd, met 100%-verhogingen, naar aanleiding van een microfiche van de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). Volgens dat microfiche bedroeg het saldo op zijn rekeningen bij KB-Lux op 31 januari 1994 ƒ 649.665,20. Tijdens een FIOD-verhoor erkende belanghebbende dat de rekeningen op zijn naam stonden, dat hij ze in 1991 of eerder had geopend en dat hij als enige bevoegd was bedragen op te nemen. Zijn stelling dat de tegoeden op een klein deel na aan een Chinese vriend toebehoorden, achtte het hof niet aannemelijk. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende voor alle in geschil zijnde jaren te weinig VB respectievelijk IB/PVV heeft aangegeven en dit opzettelijk heeft gedaan door aanzienlijke tegoeden en rente-inkomsten bij een bank in een land met bankgeheim te verzwijgen. Het hof bevestigde de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente, maar schold de verhogingen gedeeltelijk kwijt. Overwegingen — De Hoge Raad bespreekt per…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken