Hoge Raad 2013-02-08 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7846, zaaknummer 11/00230, cassatie. Kernvraag — Heeft het hof terecht geoordeeld dat verweerders tijdig hebben geprotesteerd in de zin van art. 6:89 BW, en geldt in het kader van art. 3:316 lid 2 BW dat het niet tijdig instellen van een nieuwe eis na het eindigen van een eerdere procedure de verjaring doet intreden? Feiten — Verweerders zijn in 1999 door Van Lanschot geadviseerd hun pensioenkapitaal van circa € 817.000,- te beleggen in een portefeuille met 62% aandelen, 28% obligaties en 10% onroerend goedfondsen (dynamisch risicoprofiel). De beleggingen strekten ter aanvulling van het pensioeninkomen. Na forse koersverliezen in 2000-2001 heeft de Bank op een bijeenkomst in januari 2001 en in een individueel gesprek verweerder gerustgesteld met de mededeling dat de aandelen moesten worden aangehouden en dat de AEX zou stijgen naar 750-800 punten. Bij brief van 23 september 2002 hebben verweerders voor het eerst schriftelijk geklaagd over het beleggingsadvies; in januari 2003 dienden zij een klacht in bij de Klachtencommissie DSI, die wegens termijnoverschrijding niet in behandeling werd genomen. De fax van 24 maart 2004 stelde de Bank aansprakelijk; de dagvaarding volgde in 2008. Oordeel hof — Het hof verwierp zowel het beroep op verjaring (art. 3:310 BW) als het beroep op rechtsverwerking (art. 6:89 BW). Gelet op de aard van de adviesrelatie — waarbij de cliënt in beginsel mag afgaan op het oordeel van de d…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken