Hoge Raad 2014-01-10 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, zaaknummer 13/02112, cassatie. Kernvraag — Kan het ontbreken van een schriftelijke machtiging bij een beroepschrift worden hersteld in de verzetprocedure, of rechtvaardigt het nalaten van herstel binnen de gestelde termijn de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van art. 6:6 Awb? Feiten — Namens belanghebbende heeft [A] een beroepschrift ingediend tegen een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Zeist. [A] stelde daarin gemachtigd te zijn en kondigde aan de machtiging desgevraagd na te zenden. De Rechtbank verzocht bij brief van 29 februari 2012 de machtiging binnen vier weken over te leggen, onder vermelding dat het beroep niet-ontvankelijk kon worden verklaard bij uitblijven van herstel. [A] heeft de machtiging niet binnen die termijn overgelegd, waarop de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. In de verzetprocedure legde belanghebbende alsnog een ondertekende machtiging over; de Rechtbank verklaarde het verzet ongegrond. Oordeel hof — Niet van toepassing (uitspraak van de Rechtbank in verzet). Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.1 voorop dat art. 6:5 lid 1 aanhef en onder a Awb vereist dat het beroepschrift de naam en het adres bevat van de indiener, waarbij met "indiener" zowel degene die voor zichzelf als degene namens wie beroep wordt ingesteld wordt bedoeld. In r.o. 3.3.2 overweegt de Hoge Raad dat ondertekening van het beroepschri…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken