Hoge Raad 2015-07-10 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866, zaaknummer 14/02902, cassatie. Kernvraag — Twee vragen: (1) vangt de verjaringstermijn voor de vernietigingsbevoegdheid van art. 3:52 lid 1 onder d BW pas aan wanneer de echtgenoot wist of begreep dat zij bevoegd was de overeenkomst te vernietigen, of is bekendheid met de feiten voldoende? (2) Was het hof gehouden ambtshalve te toetsen of bedingen in de effectenleaseovereenkomst oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EG? Feiten — Eiser heeft op 16 december 1999 een effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten met een looptijd van 120 maanden en een leasesom van € 73.663,16. De maandelijkse termijnen werden afgeschreven van een en/of-rekening op naam van eiser en zijn echtgenote; afschriften van die rekening waren mede aan de echtgenote gericht. De echtgenote heeft nimmer (schriftelijke) toestemming verleend. Bij brief van 18 november 2004 heeft zij de overeenkomst vernietigd op grond van art. 1:89 BW. De overeenkomst is geëindigd met een restschuld van € 21.906,84, die volgens eiser grotendeels bestond uit schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging op grond van art. 2 van de overeenkomst en art. 6 en 11 van de bijzondere voorwaarden. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Het oordeelde dat de verjaringstermijn gaat lopen zodra de echtgenote daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de overeenkomst, en dat bekendheid met de juridische kwalificatie niet vereist is. Ge…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken