ECLI:NL:HR:2016:2704

Hoge Raad 2016-11-25 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, zaaknummer 16/02885, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Wanneer vangt de veertiendagentermijn van art. 6:96 lid 6 BW aan, welke stel- en bewijslast rust op de schuldeiser ten aanzien van de ontvangst van de aanmaning, en wat zijn de gevolgen van een onjuist geformuleerde of niet-nageleefde veertiendagenbrief voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten jegens een consument? Feiten — Fa-Med, als cessionaris van een tandheelkundige zorgverlener, stuurt verweerster op 11 september 2014 een aanmaning met een betalingstermijn tot 25 september 2014 en een aangezegde incassovergoeding van € 110,33. Verweerster betaalt de hoofdsom van € 735,54 op 7 oktober 2014, maar betwist de verschuldigdheid van de incassokosten. De kantonrechter stelt zeven prejudiciële vragen over de werking van de veertiendagentermijn. Overwegingen — R.o. 3.3: de veertiendagenbrief strekt ertoe dat de consument niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten; hij krijgt na de waarschuwing in ieder geval veertien dagen om te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). Vraag a – begin van de termijn (r.o. 3.4): De aanmaning is een verklaring als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW en heeft pas werking bij ontvangst. De veertiendagentermijn vangt derhalve aan daags na ontvangst van de aanmaning door de schuldenaar, niet daags na verzending of dagtekening. Vra…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken