Hoge Raad 2016-05-13 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, zaaknummer 15/02138, cassatie. Kernvraag — Leveren de omstandigheid dat de wetgever bij invoering van art. 10b Wet BPM per 1 januari 2010 voorzienbaar in strijd handelde met art. 110 VWEU, en de wanverhouding tussen werkelijke kosten en forfaitaire vergoeding, bijzondere omstandigheden op in de zin van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) die aanleiding geven tot vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand? Feiten — Belanghebbende heeft in januari 2010 een in 2006 in Duitsland voor het eerst toegelaten gebruikte personenauto laten registreren en daarvoor € 5.766 aan bpm op aangifte voldaan. Zij heeft bezwaar gemaakt met het standpunt dat art. 10b Wet BPM in strijd is met art. 110 VWEU en dat de verschuldigde bpm maximaal € 4.533 bedraagt. Na een prejudiciële verwijzing door het hof stelde het Hof van Justitie voor recht dat art. 110 VWEU zich verzet tegen een bpm-heffing op ingevoerde tweedehands voertuigen die hoger is dan het laagste restbedrag van die heffing vervat in de waarde van gelijksoortige reeds geregistreerde tweedehands voertuigen (HvJ 19 december 2013, C-437/12). Vervolgens zijn partijen eenparig overeengekomen dat de verschuldigde bpm € 4.194 bedraagt, wat resulteerde in een teruggaaf van € 1.572. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 2 lid 3 Bpb en veroordeelde de inspecteur in de werkelijke kosten van rechtsb…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken