Hoge Raad 2017-05-19 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936, zaaknummer 15/04201, cassatie. Kernvraag — Op welk moment is de collectieve actie van de Stichting Eegalease 'op andere wijze geëindigd' in de zin van art. 3:316 lid 2 BW, zodat de zes-maandentermijn van die bepaling een aanvang nam? En strekt de stuitende werking van die collectieve actie zich mede uit tot echtgenoten die zich niet bij de Stichting Eegalease hadden aangesloten? Feiten — Eiser heeft tussen 1998 en 2000 effectenleaseovereenkomsten gesloten; zijn echtgenote (verweerster 2) heeft deze niet mede ondertekend. De overeenkomsten eindigden met een restschuld. Dexia sloot op 22 maart 2003 met eiser het Dexia Aanbod; ook deze overeenkomst werd niet door de echtgenote mede ondertekend. Dexia cedeerde haar vordering aan Värde. De echtgenote bracht in juli 2006 een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten uit op grond van art. 1:89 jo. art. 1:88 BW. De Stichting Eegalease had bij dagvaarding van 13 maart 2003 een collectieve actie ingesteld tegen Dexia; de procedure werd op 25 augustus 2005 geroyeerd na de op 23 juni 2005 tot stand gekomen schikking (Hoofdovereenkomst/Duisenbergregeling). De uit die schikking voortvloeiende WCAM-overeenkomst werd op 25 januari 2007 verbindend verklaard door het gerechtshof Amsterdam. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de echtgenote de effectenleaseovereenkomsten niet tijdig had vernietigd, omdat de verjaring van haar bevoegdheid t…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken