Hoge Raad 2018-06-08 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, zaaknummer 17/02121, cassatie (beschikking). Kernvraag — Heeft het hof bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding op grond van art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, in het bijzonder door de billijke vergoeding aanzienlijk lager vast te stellen dan de kantonrechter had gedaan zonder daartoe een nadere motivering te geven? Feiten — Verzoekster is sinds 1999 als specialist ouderengeneeskunde in dienst bij Zinzia. In januari 2016 wordt zij tijdens een gesprek geconfronteerd met beschuldigingen over disfunctioneren en een gestelde aantekening in het BIG-register, waarvan zij betwist dat die ooit heeft bestaan. Zij wordt vervolgens op non-actief gesteld, een contactverbod met collega's opgelegd, en geconfronteerd met een verbetertraject in een negatief getoonzette sfeer. Verzoekster verzoekt zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van Zinzia (art. 7:671c BW) en vordert naast de transitievergoeding een billijke vergoeding. Kort na de ontbinding treedt zij in dienst bij een andere zorginstelling. Oordeel hof — Het hof heeft vastgesteld dat Zinzia ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door verzoekster zonder deugdelijk vooronderzoek of hoor en wederhoor te beschuldigen van disfunctioneren en van het verzwijgen van een BIG-aantekening, haar op non-actief te stel…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken