Hoge Raad 2020-01-31 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, zaaknummer 18/04777, cassatie. Kernvraag — Hoe dient de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden berekend wanneer samenhangende bpm-zaken in de bezwaarfase afzonderlijk, maar in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld? En heeft een belastingplichtige recht op wettelijke rente over een niet tijdig vergoed griffierecht? Feiten — Belanghebbende heeft over het tijdvak juni 2011 bpm op aangifte voldaan. Het daartegen gemaakte bezwaar werd op 18 december 2013 ongegrond verklaard. Op 12 juni 2014 legde de inspecteur over hetzelfde tijdvak ook een naheffingsaanslag bpm op. De bezwaren daartegen werden op 20 maart 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank registreerde de drie beroepen onder afzonderlijke zaaknummers, behandelde ze gelijktijdig en besliste bij één uitspraak. Het hof heeft bij de berekening van de immateriële schadevergoeding de drie zaken als verknochte zaken aangemerkt in de zin van het overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2016:252) en de wettelijke rente over het griffierecht niet toegekend. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de drie zaken verknocht waren in de zin van het overzichtsarrest, zodat bij de redelijke-termijnberekening van die verknochtheid moest worden uitgegaan. Het hof kende geen wettelijke rente toe over de vergoeding van het griffierecht. Het hof kende een schadevergoeding toe van € 1.000 ten laste van de Staat, maar stelde het door de ins…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken