Hoge Raad 2020-11-06 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, zaaknummer 19/03369, cassatie. Kernvraag — Kan een uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden heeft verricht op een participatieplaats met behoud van uitkering, achteraf een beroep doen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW? En speelt daarbij de bedoeling van partijen een rol bij de kwalificatie van de overeenkomst? Feiten — Betrokkene ontving een IOAW-uitkering en werd door de gemeente Amsterdam in het kader van de WWB geplaatst op een participatieplaats bij de interne servicedesk van Stadsdeel Centrum. Zij heeft van april 2014 tot april 2015 werkzaamheden verricht op basis van twee achtereenvolgende plaatsingsovereenkomsten, telkens voor zes maanden, 32 uur per week, met behoud van uitkering. Na afloop van elk traject ontving zij een stimuleringspremie (respectievelijk € 231,20 en € 233,90). Betrokkene stelde dat zij feitelijk dezelfde werkzaamheden verrichtte als betaalde collega's en vorderde loon over de gehele periode van een jaar. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en oordeelde dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het hof achtte daartoe mede van belang dat het niet de bedoeling van partijen — in het bijzonder niet van de gemeente — was geweest om een arbeidsovereenkomst aan te gaan, mede gelet op de wetsgeschiedenis van de WWB. Verder oordeelde het hof dat de stimuleringspremies niet als loon konden worden aangemerkt en dat betrokkene n…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken