Hoge Raad 2021-04-16 — Civiel recht; Personen- en familierecht
Instantie en datum — Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586, zaaknummer 20/02639, cassatie (beschikking). Kernvraag — Dient de alimentatierechter bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige in aanmerking te nemen in plaats van het forfaitaire woonlastenbedrag van 30% van het netto besteedbaar inkomen, wanneer de werkelijke woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan dat forfait en bij toepassing van het forfait niet volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien? Feiten — De man en de vrouw hebben samen twee kinderen die bij de vrouw wonen. Bij het beëindigen van de relatie zijn partijen overeengekomen dat de man € 450,- per maand aan kinderalimentatie betaalt. De vrouw verzoekt verhoging naar € 681,- per maand; de man bepleit verlaging naar € 294,-. In hoger beroep erkende de man dat zijn werkelijke woonlasten niet meer dan € 95,- per maand bedragen, terwijl het forfait uitkomt op 30% van € 2.261,- netto besteedbaar inkomen, ofwel € 678,30 per maand. Bij toepassing van het forfait kan niet volledig in de behoefte van de kinderen worden voorzien; bij toepassing van de werkelijke woonlasten wel. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, die de kinderalimentatie had vastgesteld op € 324,- per maand. Het hof oordeelde dat slechts in uitzonderlijke situaties van de forfaitaire berekening dient te worden afgeweken en achtte zo'n uitzondering niet aanwezig. De keuze…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken