Hoge Raad 2022-04-08 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, zaaknummer 20/02638, cassatie. Kernvraag — Welke bewijsmaatstaf geldt bij de vaststelling van opzet als bestanddeel van een beboetbaar feit in het fiscale boeterecht? En in hoeverre onderscheidt de maatstaf voor de "vereiste aangifte" (bewustzijn) zich van de maatstaf voor voorwaardelijk opzet? Feiten — Aan belanghebbende (een B.V.) is over boekjaar 2010/2011 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, vergezeld van een vergrijpboete op grond van art. 67e lid 1 AWR. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende bij het doen van aangifte had gehandeld met voorwaardelijk opzet gericht op het doen van een onjuiste aangifte, onder meer omdat belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat door dubbele facturering en dubbele kostenaftrek te weinig belasting zou worden geheven. Oordeel hof — Het Hof legde aan de boetebeschikking ten grondslag dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende met voorwaardelijk opzet had gehandeld. Het Hof hanteerde daarmee de aannemelijkheidsmaatstaf voor het bewijs van opzet als bestanddeel van het beboetbare feit en koppelde het opzetsoordeel aan de overweging dat belanghebbende zich van de gebreken in de aangifte bewust moet zijn geweest — een maatstaf die het Hof had ontwikkeld in het kader van de vraag of de vereiste aangifte was gedaan. Overwegingen — De klachten van belanghebbende worden ambtsha…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken