ECLI:NL:RBDHA:2025:21403

Rechtbank Den Haag 2025-11-13 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen), 13 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21403, zaaknummer NL25.23393, eerste aanleg enkelvoudig. Kernvraag — Of de ingebrekestelling van eiser geldig was en of hij recht heeft op vergoeding van proceskosten, gelet op de vraag hoe de beslistermijn moest worden berekend na de toepassing van WBV 2023/3 en het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) Soedan. Feiten — Eiser (geboren 5 oktober 2007 volgens eigen opgave) heeft op 16 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister had de beslistermijnen voor in 2023 ingediende aanvragen verlengd via WBV 2023/3, en voor Soedanese vreemdelingen gold bovendien een BVM dat op 9 juli 2024 van rechtswege verliep. Op 14 maart 2025 stelde eiser de minister per elektronische weg in gebreke wegens het uitblijven van een besluit. De minister besliste alsnog op 30 juli 2025 (inwilliging, maar met een onjuiste geboortedatum) en op 18 september 2025 (aanvullend besluit met de door eiser opgegeven geboortedatum). Eiser handhaafde zijn beroep na beide besluiten. Overwegingen — De rechtbank behandelt drie afzonderlijke kwesties. Ten aanzien van WBV 2023/3 oordeelt de rechtbank (r.o. 5) dat dit wijzigingsbesluit onrechtmatig is gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2025 (ECLI:EU:C:2025:326). De minister diende in beginsel binnen zes maanden na de aanvraag te beslissen. Ten aanzien van het BVM (r.o. 6) overweegt de rechtbank dat de grondslag voor het BVM is gelegen in a…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken