ECLI:NL:RVS:2015:1309

Raad van State 2015-04-10 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309, zaaknummer 201502024/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Dient de staatssecretaris bij de oplegging van een maatregel van vreemdelingenbewaring te motiveren waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt? Feiten — De vreemdeling is op 9 februari 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van art. 59 Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) verklaarde het beroep tegen de maatregel gegrond wegens een motiveringsgebrek: de staatssecretaris had niet gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel kon volstaan en waarom het zicht op uitzetting niet ontbrak. De staatssecretaris stelde hoger beroep in. Overwegingen — De staatssecretaris betoogde dat de Afdelingsuitspraken van 23 januari 2015 (zaaknummer 201408655/1/V3) en 23 februari 2015 (zaaknummer 201408880/1/V3) uitsluitend betrekking hebben op verlengingsbesluiten ex art. 59 lid 6 Vw 2000, en niet op de initiële oplegging van bewaring. Bij oplegging van een maatregel zou het zicht op uitzetting reeds zijn geïmpliceerd, en zouden de opgesomde bewaringsgronden in beginsel een toereikende belangenafweging vormen. De Afdeling verwerpt dit betoog. Zij overweegt dat art. 15 lid 2 van Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) het motiveringsvereiste juist in de eerste plaats stelt bij de oplegging van een maatr…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken