ECLI:NL:RVS:2019:3536

Raad van State 2019-10-23 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536, zaaknummer 201802802/1/A1, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht afgezien van aansprakelijkstelling van derden op grond van art. 33 lid 3 Awir voor het toeslagjaar 2010, en schrijft art. 26 Awir imperatief voor dat het volledige bedrag aan kinderopvangtoeslag van de belanghebbende wordt teruggevorderd, ook wanneer zij slachtoffer is van fraude door het gastouderbureau? Feiten — Appellante ontving in 2010 via een gastouderbureau € 34.566,- aan voorschottenkinderopvangtoeslag. De voorschotten werden overgemaakt op de bankrekening van het gastouderbureau; appellante ontving deze niet zelf. Twee medewerkers van het gastouderbureau zijn strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van delicten die verband houden met onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag, waaronder die van appellante. De overeengekomen kinderopvang heeft nauwelijks plaatsgevonden. De Belastingdienst/Toeslagen stelde het voorschot bij besluit van 24 augustus 2011 op nihil en vorderde het volledige bedrag terug. In het bezwaarschrift verzocht appellante de twee fraudeurs op grond van art. 33 Awir aansprakelijk te stellen; de dienst wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 24 maart 2017. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond. Overwegingen — Wat betreft de toepasselijkheid van art. 33 lid 3 Awir overweegt de Afdeling in r.o. 5.6 dat toesla…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken