Raad van State 2021-07-08 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 8 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1481, zaaknummer 202004541/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van een 67-jarige, analfabete vreemdeling terecht niet in behandeling genomen op grond van de Dublinverordening, en heeft de staatssecretaris terecht geen aanleiding gezien voor toepassing van de afhankelijkheidsclausule van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening dan wel de discretionaire clausule van artikel 17? Feiten — De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling, een 67-jarige analfabete vrouw, niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is. De vreemdeling stelt afhankelijk te zijn van haar in Nederland woonachtige zoon en heeft ter onderbouwing een verklaring van de zoon overgelegd. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, oordeelde dat het standpunt van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het besluit. De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld. Overwegingen — De Afdeling stelt in r.o. 2.1 voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat de vreemdeling voor een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening aannemelijk moet maken dat zij van haar zoon afhankelijk is voor het verlenen van de benodigde hulp. Die afhankelijkheid dient primair aannemelijk te worden gemaakt met medische dan wel andere objectieve documenten, of — indien die niet voorhanden zijn of n…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken