ECLI:NL:HR:2003:AF7938

Hoge Raad 2003-10-21 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, zaaknummer 02229/02 E, cassatie. Kernvraag — Wanneer kan een verboden gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon worden toegerekend in de zin van art. 51 Sr, en heeft het hof op toereikende gronden geoordeeld dat de verdachte (rechtspersoon) als dader kan worden aangemerkt van het niet-emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen? Feiten — Verdachte is een rechtspersoon die in opdracht van eigenares [A] BV een perceel grond beheert. De feitelijke beheerder ([betrokkene 1]) is in loondienst bij [A] BV. Op 31 mei 1999 werd vastgesteld dat door onbekenden drijfmest op het perceel was uitgereden zonder emissiearme aanwending, hetgeen verboden is op grond van art. 5 lid 1 Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (gebaseerd op art. 7 Wet bodembescherming). Verdachte is als rechtspersoon voor deze overtreding vervolgd en door het hof veroordeeld tot een geldboete van € 900,-. Oordeel hof — Het hof veroordeelde de verdachte op grond van zijn oordeel dat het tot de taak van een beheerder behoort te waken voor naleving van wettelijke voorschriften op de beheerde grond, en dat niet aannemelijk was geworden dat verdachte alle maatregelen had genomen om te verhinderen dat derden de grond voor mestdumping gebruikten. Overwegingen — De Hoge Raad stelt voorop dat de wet geen maatstaven bevat voor het daderschap van de rechtspersoon en dat invulling aan de rechter is overgelaten (r.o. 3.2.3). Uit de wetsgeschie…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken