Hoge Raad 2011-06-10 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, zaaknummer 10/02708, cassatie. Kernvraag — In hoeverre dient bij de WOZ-waardebepaling rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van (mogelijk) asbesthoudend materiaal in een woning, en op wie rust daarvoor de bewijslast? Feiten — De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2007 vastgesteld op € 705.000. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de verwarmingsbuizen vermoedelijk zijn geïsoleerd met asbesthoudend materiaal en dat dit de waarde drukt. De heffingsambtenaar heeft erkend dat de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal niet is uitgesloten, maar betwist dat dit de waarde in betekenisvolle mate beïnvloedt. Oordeel hof — Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat op de waardepeildatum sprake was van een directe noodzaak tot verwijdering van het asbest en evenmin dat de verwijderingskosten de marge van art. 26a Wet WOZ overschreden. Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank. Overwegingen — De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof op drie gronden. Ten eerste overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.2.3 dat het Hof ten onrechte de margeregeling van art. 26a Wet WOZ heeft toegepast, aangezien die regeling een inbreuk vormt op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en daarom buiten toepassing dient te blijven (onder verwijzing naar HR 22 oktober 2010, nr. 08…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken