ECLI:NL:HR:2024:571

Hoge Raad 2024-04-12 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, zaaknummer 22/03770, cassatie. Kernvraag — Mag bij de bepaling van de bedrijfswaarde (indirecte opbrengstwaarde) van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ gebruik worden gemaakt van kasstromen van een gebruiker die niet de eigenaar is, dan wel van geconsolideerde kasstromen van de eigenaar en haar dochtervennootschappen? En hoe ligt de bewijslast ter zake van een lagere bedrijfswaarde? Feiten — Belanghebbende is eigenaar van een golfcomplex en verhuurt dit aan een vennootschap onder firma (de Golfclub) die het exploiteert. De vennoten van de Golfclub zijn twee 100%-dochtermaatschappijen van belanghebbende, waarvan belanghebbende tevens enig bestuurder is. De heffingsambtenaar heeft het golfcomplex voor 2018 en 2019 gewaardeerd op een gecorrigeerde vervangingswaarde van € 4.300.000. Belanghebbende bepleit een lagere bedrijfswaarde op basis van discounted-cash-flowberekeningen die mede zijn gebaseerd op kasstromen van de Golfclub als gebruiker. Oordeel hof — Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de bedrijfswaarde moet worden bepaald overeenkomstig hetgeen voor de eigenaar geldt. Omdat de door belanghebbende overgelegde kasstroomberekeningen (mede) waren gebaseerd op kasstromen van de gebruiker die belanghebbende als eigenaar niet aangaan, en geen afzonderlijke berekening op basis van uitsluitend de kasstromen van belanghebbende was overgelegd, had belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aanleid…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken