ECLI:NL:HR:2013:BX6666

Hoge Raad 2013-03-22 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, zaaknummer 11/04270, cassatie. Kernvraag — Aan welke instantie (bestuursorgaan of rechterlijke macht) moet een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM worden toegerekend bij de beoordeling van een verzoek om immateriële schadevergoeding in belastingzaken, en is voor zo'n aanspraak vereist dat belanghebbende heeft aangedrongen op spoedige behandeling? Feiten — Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd wegens vermeende winst uit aanmerkelijk belang bij de inbreng van winstbewijzen in een coöperatie. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt; omdat de inspecteur niet tijdig uitspraak deed, is beroep ingesteld. Na alsnog gedane uitspraak op bezwaar — waarbij de navorderingsaanslag werd gehandhaafd — heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd. De tijdspanne tussen ontvangst van het bezwaarschrift (13 januari 2004) en de uitspraak van de rechtbank (21 januari 2009) beliep ruim vijf jaar. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan door zonder nader onderzoek de primitieve aanslag overeenkomstig de aangifte op te leggen, en dat de navorderingsaanslag daarom moest worden vernietigd. Voorts kende het hof een vergoeding voor immateriële schade toe van € 3.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar, zonder daarbij de minister van Veiligheid en Justitie in het geding te betrekken en zo…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken