ECLI:NL:HR:2014:1461

Hoge Raad 2014-06-20 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, zaaknummer 13/01045, cassatie. Kernvraag — Onder welke omstandigheden kan een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen of beperkt op grond van proceshouding of beperkte succesverwachting van de belanghebbende? En op welk moment eindigt de in aanmerking te nemen termijn bij een afgesplitste schadevergoedingsprocedure? Feiten — Aan belanghebbende zijn aanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2001, 2002 en 2003. De bezwaarfase ving aan op 15 december 2004; de Rechtbank deed uitspraak op 8 juni 2010. Het Hof had in de hoger-beroepprocedure over de hoofdzaak de behandeling heropend voor een nadere uitspraak over het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelde de totale overschrijding op twee jaar en kende een vergoeding toe, maar beperkte die op drie afzonderlijke gronden. Oordeel hof — Het Hof rekende een deel van de overschrijding in de bezwaarfase aan belanghebbende toe omdat zij niet had aangedrongen op een spoedige behandeling. In de beroepsfase paste het Hof een kortingen toe van drie maanden wegens door belanghebbende verzocht uitstel van de zitting, en nog eens drie maanden omdat een eerdere uitspraak over het jaar 1999 (met dezelfde geschilpunten) al duidelijkheid gaf over de uitkomst, zodat de spanning en frustratie beperkt zouden zijn geweest. Het Hof berekende de totale o…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken