ECLI:NL:HR:2015:147

Hoge Raad 2015-01-30 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147, zaaknummer 14/01954, cassatie. Kernvraag — Heeft een rechtspersoon een zelfstandig recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, of valt die schade samen met de spanning en frustratie van de directeur/enig aandeelhouder (dga), zodat slechts één vergoeding hoeft te worden toegekend? Feiten — Aan belanghebbende (een B.V.) zijn een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2000 en een aanslag vennootschapsbelasting 2002 opgelegd, met boetebeschikkingen. Na een eerste cassatieronde (HR 29 juni 2012, nr. 11/00554, BNB 2012/250) verwees de Hoge Raad de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam. Het hof behandelde de zaken van belanghebbende gezamenlijk met de daarmee inhoudelijk verwante zaken van haar dga, alle betrekking hebbend op min of meer hetzelfde feitencomplex over een periode van vijf jaar. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in de bezwaarfase was overschreden en kende zowel aan belanghebbende als aan de dga afzonderlijk een vergoeding van immateriële schade toe. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat bij gezamenlijke behandeling van zaken die in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben, kan worden volstaan met toekenning van schadevergoeding in één of enkele zaken per belastingplichtige, terwijl in de overige zaken wordt volstaan met de constatering van termijnoverschrijding. Het hof achtte het redelijk om zowel de B.V. als de dga afzonderlij…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken