ECLI:NL:HR:2014:540

Hoge Raad 2014-03-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, zaaknummer 12/04057, cassatie. Kernvraag — Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV over 1992 en 1993 correct berekend, is de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep juist vastgesteld, en heeft het hof de Minister van Veiligheid en Justitie terecht buiten de procedure gelaten bij de veroordeling tot immateriële schadevergoeding? Voorts: mocht het hof bij de berekening van die schadevergoeding voor samenhangende zaken de factor 1,5 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht toepassen? Feiten — De zaak betreft het zogenoemde Rekeningenproject. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1992, 1993 en 1995–2002 (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd en over 1993–2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting, telkens met boeten/verhogingen en heffingsrentebeschikkingen. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld tegen de hofuitspraak van 18 juli 2012. Oordeel hof — Het hof berekende de verschuldigde IB/PVV over 1992 op ƒ 3.158 en over 1993 op ƒ 2.820. Het stelde de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep vast op twee jaar en vier maanden, gerekend vanaf binnenkomst van het hogerberoepschrift tot de mondelinge behandeling. Het veroordeelde de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van immateriële schade, waarbij het de factor 1,5 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht toepaste op het basisbedrag van € 500 per halfjaar overschrijding.…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken