Hoge Raad 2015-03-20 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, zaaknummer 13/03959, cassatie. Kernvraag — In hoeverre is de belastingrechter gebonden aan een onherroepelijk oordeel van de strafrechter over de onrechtmatigheid van bewijsgaring en de daaraan verbonden bewijsuitsluiting, en welk beoordelingskader geldt voor de bruikbaarheid van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak (aanslag én bestuurlijke boete)? Feiten — Belanghebbende is bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 30 september 2003 vrijgesproken van valsemunterij, deelname aan een criminele organisatie en gewoontehelingen. De vrijspraak berustte mede op uitsluiting van bewijsmateriaal dat was verkregen via de inzet van infiltranten in een Duits opsporingsonderzoek, waarbij ten aanzien van medeverdachte [K] niet kon worden uitgesloten dat hij door een pseudokoper tot het strafbare feit was gebracht. De Inspecteur heeft navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 en 1999 en boetebeschikkingen opgelegd, deels gebaseerd op diezelfde processen-verbaal. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de strafrechterlijke bewijsuitsluiting niet in de weg staat aan gebruik van dat materiaal in de belastingzaak. Oordeel hof — Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de belastingrechter niet gebonden is aan het strafrechtelijk oordeel over de bruikbaarheid van het bewijs en dat aan de inhoud van de in het strafrechtelijk onderzoek opgestelde stukken ook in de belastingprocedure betekenis kan worden toegeke…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken