Hoge Raad 2016-06-07 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, zaaknummer S 14/04187, cassatie. Kernvraag — Wanneer rechtvaardigen aangevoerde cassatieklachten geen behandeling in cassatie in de zin van art. 80a RO, en welke nadere invulling heeft de rechtspraak sinds de arresten van 11 september 2012 aan die norm gegeven? Voorts: dient het onderhavige cassatieberoep, dat uitsluitend klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, ontvankelijk te worden verklaard? Feiten — De verdachte is bij arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 juli 2014 veroordeeld. In cassatie wordt uitsluitend geklaagd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Overwegingen — Het arrest heeft in de eerste plaats zaakoverstijgende betekenis: de Hoge Raad actualiseert zijn overzichtsarresten van 11 september 2012 over art. 80a RO. Ten aanzien van de twee toepassingsgronden van art. 80a lid 1 RO onderscheidt de Hoge Raad: Klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (r.o. 2.3.1): De Hoge Raad herhaalt en consolideert de in 2012 geformuleerde lijst van klachtcategorieën die evident kansloos zijn, waaronder klachten die zijn gericht tegen andere handelingen of beslissingen dan de in art. 78 RO genoemde, enkel vertogen van feitelijke aard behelzen, steunen op feiten die in cassatie niet vaststaan of waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken