Hoge Raad 2016-06-03 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, zaaknummer 15/03154, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Welke processuele regels gelden bij intrekking van een kort geding in eerste aanleg, in het bijzonder met betrekking tot de aanspraak van de gedaagde op een proceskostenveroordeling, de toepasselijkheid van art. 1019h Rv, de verschuldigdheid van griffierecht en de verbindendheid van art. 9.1 Procesreglement? Feiten — [A] dagvaardde GIA c.s. in kort geding wegens gestelde merkinbreuk. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bepaald op 16 september 2014) trok [A] het kort geding in bij brief van 27 augustus 2014. GIA c.s. maakten aanspraak op volledige proceskosten ex art. 1019h Rv, hetgeen [A] weigerde. Partijen troffen nadien een minnelijke regeling, maar de voorzieningenrechter verzocht de Hoge Raad de vragen toch te beantwoorden wegens hun praktische belang voor veelvuldig voorkomende gevallen. Overwegingen — Vraag 1: Toepasselijkheid art. 125–127 en 249–250 Rv in kort geding De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.1–3.3.7 vast dat art. 78 Rv de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering weliswaar ook op het kort geding in eerste aanleg van toepassing verklaart, maar dat het kort geding een eigen karakter heeft als spoedprocedure met flexibele procesvoering. Dat eigen karakter brengt mee dat de procedure al aanhangig is zodra aan de gedaagde mededeling is gedaan van het voorgenomen kort geding, de datum en het tijdstip van behandeling, en…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken