Hoge Raad 2016-06-10 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, zaaknummer 14/05020, cassatie. Kernvraag — Is de vermogensrendementsheffing van box 3 voor het jaar 2011 in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), omdat de heffing leidt tot een buitensporig zware last wanneer een vermogensbestanddeel (een eigen woning in Nederland die niet wordt verhuurd) feitelijk geen rendement genereert? Feiten — Belanghebbende woont in Noorwegen en bezit in Nederland een voormalige eigen woning (WOZ-waarde € 197.000), een appartement (€ 122.000) en een garage (€ 19.000). De woning wordt niet verhuurd maar bij bezoeken aan Nederland voor eigen gebruik bestemd. De aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2011 is gebaseerd op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 338.000 (vier percent forfaitair rendement), resulterend in een verschuldigde belasting van € 4.056, waarvan € 2.364 toerekenbaar is aan de woning. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de forfaitaire rendementsheffing niet in strijd is met artikel 1 EP, omdat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven. Een effectieve belasting van 1,2 percent van de waarde van de bezittingen vormt geen individuele buitensporige last; dat de woning niet wordt verhuurd en geen liquide middelen oplevert, maakt dat niet anders. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 2.4.1.2 voorop dat van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de we…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken