ECLI:NL:HR:2019:816

Hoge Raad 2019-06-14 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, zaaknummer 17/05606, cassatie. Kernvraag — Is de forfaitaire vermogensrendementsheffing van box 3 (art. 5.2 lid 1 Wet IB 2001) voor de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM (art. 1 EP), omdat het forfaitaire rendement van 4% op spaarsaldi structureel niet meer haalbaar is zonder (veel) risico te nemen? Feiten — Belanghebbende en zijn echtgenote hadden op 1 januari 2014 uitsluitend bank- en spaartegoeden als box 3-bezittingen, met een gezamenlijke rendementsgrondslag van € 149.349. In 2014 ontvingen zij € 1.911 aan rente. Over het aan belanghebbende toegerekende aandeel (€ 74.675) werd een fictief inkomen van € 2.987 (4%) in aanmerking genomen, resulterend in een box 3-heffing van € 896. Het bezwaar van belanghebbende maakte deel uit van de massaal-bezwaarprocedure (art. 25a AWR) en was uitdrukkelijk beperkt tot de stelling dat de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP; de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last was niet in geschil. Oordeel hof — Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. Voor een inbreuk op art. 1 EP is niet voldoende dat het rendement op spaarsaldi structureel onder 4% blijft; het Hof achtte niet aannemelijk dat een rendement van 4% voor het totale box 3-vermogen als bedoeld in art. 5.3 Wet IB 2001 voor een lange reeks van jaren voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Overwegingen — De Hoge…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken