Hoge Raad 2016-09-13 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, zaaknummer 15/00362, cassatie (ontnemingsprocedure). Kernvraag — Kan overschrijding van de redelijke termijn en het daarmee samenhangende tijdsverloop leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering? En meer in het bijzonder: kan de stelling dat een adequate verdediging door tijdsverloop niet langer mogelijk is, die niet-ontvankelijkheid dragen? Feiten — Aan betrokkene is in de ontnemingsprocedure bij de rechtbank een betalingsverplichting opgelegd van € 258.917,77, welke uitspraak het hof heeft bevestigd. De totale procesduur besloeg bijna vier jaar in eerste aanleg en bijna drie jaar in hoger beroep; het hof erkende een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal twee jaar, waarbij het vertraging deels toeschreef aan onderzoekswensen van de verdediging. De verdediging voerde in hoger beroep aan dat het tijdsverloop een adequate verdediging onmogelijk maakte — nu van betrokkene redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij nog beschikte over gegevens over zijn vermogenspositie uit 2002 — en verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Oordeel hof — Het hof verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer onder verwijzing naar HR 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), inhoudende dat overschrijding van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen nooit tot niet-ontvankelijkheid leidt. Het hof compenseerde de termijnoverschrijding door het ma…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken