ECLI:NL:HR:2019:1489

Hoge Raad 2019-10-04 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489, zaaknummer 18/02341, cassatie. Kernvraag — Voldoet een brief van 11 september 2008 als stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW voor een vordering uit onbehoorlijk bestuur, en mocht het hof daarbij de context van de eerdere e-mail van 18 april 2008 buiten beschouwing laten? Feiten — [verweerster 1], bestuurd door [verweerder], was statutair bestuurder van Pluvezo B.V. In 2003 heeft [verweerster 1] namens Pluvezo een lening van € 1.000.000,-- verstrekt aan [B] B.V. — een bedrijf van de zonen van [verweerder] — zonder zekerheden te bedingen. Na een gedeeltelijke aflossing van € 500.000,-- is [B] in 2007 failliet gegaan; het restant bleef onverhaalbaar. Op 18 april 2008 stuurde [betrokkene] (indirect aandeelhouder van Pluvezo) een e-mail aan [verweerder] waarin hij hem verweet dat de toenmalige directie "schuldig is aan grove nalatigheid jegens Pluvezo" door zonder zekerheden en zonder toestemming van de aandeelhouder grote bedragen te lenen aan bedrijven van [verweerder]. Op 11 september 2013 stelde Pluvezo [verweerster 1] formeel aansprakelijk. Tussen beide momenten werd op 11 september 2008 nog een brief verzonden. De rechtbank honoreerde het verjaringsverweer; het hof bekrachtigde dat vonnis. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de brief van 11 september 2008 niet als stuitingshandeling kwalificeerde, omdat daarin geen gewag werd gemaakt van een vordering uit onbehoorlijk bestuur of van de onge…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken