Hoge Raad 2020-07-10 — Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, zaaknummer 19/01170, cassatie. Kernvraag — Geldt ook buiten het terrein van intellectuele eigendomsrechten en bedrijfsgeheimen als maatstaf voor toewijzing van een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel op de voet van art. 843a Rv, dat het bestaan van de rechtsbetrekking (de onderliggende vordering) voldoende aannemelijk moet zijn? Feiten — [verweerster 1] en [verweerster 2] waren respectievelijk senior productmanager en ontwerpster kinderkleding bij Semtex. Hun arbeidsovereenkomsten bevatten een geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding, maar geen concurrentie- of relatiebeding. Na het einde van hun dienstverband in 2013 richtten zij een concurrerend kinderkleding-label op. Semtex vermoedde dat zij reeds tijdens het dienstverband voorbereidingen hadden getroffen en daartoe vertrouwelijke bedrijfsgegevens hadden meegenomen — onder meer bestanden die [verweerster 1] vlak voor haar vertrek via WeTransfer naar haar privé-e-mailadres had verzonden. Semtex liet conservatoir bewijsbeslag leggen op digitale bestanden en bescheiden in het bedrijfspand van de nieuwe onderneming en vorderde vervolgens op de voet van art. 843a Rv en art. 1019a Rv inzage in en afschrift van de in beslag genomen bescheiden. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Het legde als maatstaf aan dat de gestelde onrechtmatigheid of inbreuk voldoende aannemelijk moet zijn, met dien verstande dat niet de mate van…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken