ECLI:NL:HR:2020:2099

Hoge Raad 2020-12-18 — Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, zaaknummer 19/00186, cassatie. Kernvraag — Wanneer heeft een eerdere uitspraak gezag van gewijsde ten opzichte van een nieuwe procedure tussen dezelfde partijen, in het bijzonder wanneer in de nieuwe procedure een andere grondslag wordt aangevoerd? Daarnaast: heeft het hof het oordeel dat IV-Groep onvoldoende heeft toegelicht welke verwijten Zwitserleven worden gemaakt inzake het vermogensbeheer, voldoende begrijpelijk gemotiveerd? Feiten — IV-Groep heeft bij Zwitserleven een pensioenregeling ondergebracht via een uitvoeringsovereenkomst en een daarmee samenhangend gesepareerd beleggingsdepot (GBD). In april 2013 heeft Zwitserleven wegens een te lage dekkingsgraad de aandelen in het GBD eenzijdig verkocht. Op 3 december 2013 heeft IV-Groep een afsprakenbrief ondertekend die wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst bevatte; op grond hiervan heeft IV-Groep vervolgens circa € 39 miljoen aan bankgaranties gesteld en circa € 6,5 miljoen bijgestort. In een eerdere procedure (procedure I) heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat de aandelenverkoop niet in strijd was met de uitvoeringsovereenkomst en niet onrechtmatig was; de bij eisvermeerdering ingestelde vordering gericht op de afsprakenbrief wees het hof af uitsluitend omdat de grondslag (onrechtmatige verkoop) niet was komen vast te staan. Het cassatieberoep in procedure I is door de Hoge Raad verworpen met toepassing van art. 81 RO. Oordeel hof — Het hof A…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken