Hoge Raad 2021-07-02 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, zaaknummer 20/02453, cassatie. Kernvraag — Vormt de box 3-heffing voor de jaren 2016 en 2017 een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP bij het EVRM, en welke maatstaf moet de rechter daarbij hanteren? Feiten — Aan belanghebbende zijn aanslagen IB/PVV opgelegd voor 2016 en 2017 waarbij box 3-inkomen is belast. Haar werkelijke vermogensopbrengsten (€ 1.761 in 2016 en € 1.244 in 2017) lagen lager dan de verschuldigde IB/PVV (€ 1.543 respectievelijk € 1.354). De bezwaren zijn deels aangewezen als massaal bezwaar. Het Hof 's-Hertogenbosch heeft de beroepen ongegrond verklaard: voor 2016 was het oordeel dat een stelselvraag niet tot ingrijpen kan leiden en dat van een individuele buitensporige last geen sprake was; voor 2017 oordeelde het Hof bovendien dat de box 3-heffing ook op stelselniveau niet in strijd is met art. 1 EP. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat de box 3-heffing voor 2016 op stelselniveau niet tot verlaging van de aanslag kan leiden, en dat van een individuele buitensporige last voor geen van beide jaren sprake was, gelet op de hoogte van de heffing, het inkomen uit werk en woning, de aanwezigheid van een eigen woning zonder hypotheekschuld en de vermogensopbrengst. Voor 2017 gaf het Hof bovendien een zelfstandig oordeel over de stelselvraag (geen strijd met art. 1 EP). De uitspraak is vernietigd. Overwegingen — De Hoge Raad verwerpt in r.o. 4.1 de klacht tegen het oordeel over 2…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken