ECLI:NL:HR:2022:1128

Hoge Raad 2022-09-02 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128, zaaknummer 22/00186, cassatie. Kernvraag — Tot welk moment loopt de voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn relevante periode, en kan een brief van de inspecteur waarin hij meedeelt het bezwaar volledig te honoreren dat geschil beëindigen — ook al is nog geen formele uitspraak op bezwaar gedaan? Feiten — Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd. Het bezwaarschrift werd op 23 december 2016 ontvangen. Bij brief van 11 december 2018 deelde de inspecteur mee het bezwaar volledig te honoreren; de formele uitspraak op bezwaar volgde op 28 december 2018. Belanghebbende stelde desondanks beroep in, onder meer met het oog op een hogere proceskostenvergoeding. De rechtbank deed uitspraak op 6 juli 2020 en liet het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing bij de berekening van de termijnoverschrijding. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de brief van 11 december 2018 niet als uitspraak op bezwaar kon worden aangemerkt en dat de procedure pas eindigt als over het geschil én alle daarmee samenhangende kosten is beslist. Op die gronden veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 2.000,-. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.2 voorop dat de immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de spanning en frustratie die de belastingplichtige ondervindt ten gevolge van…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken