Hoge Raad 2022-09-23 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, zaaknummer 21/02358, cassatie. Kernvraag — Heeft een belastingplichtige die bij de voldoening van bpm op aangifte een te laag aantal verstreken maanden heeft gehanteerd waardoor zij na bezwaar extra leeftijdskorting heeft gekregen, recht op vergoeding van bezwaarkosten op grond van art. 7:15 lid 2 Awb? En is de wettelijke verplichting tot vooruitbetaling van bpm in strijd met art. 110 VWEU? Feiten — Belanghebbende heeft voor twee uit andere lidstaten afkomstige gebruikte personenauto's bpm op aangifte voldaan (30 mei 2017 respectievelijk 23 juni 2017) en daarbij als peildatum voor de leeftijdsberekening de datum van indiening van de aangifte gehanteerd. De tenaamstellingen vonden echter aanzienlijk later plaats (21 juli 2017 en 14 september 2017). In bezwaar heeft de Inspecteur voor beide auto's extra leeftijdskorting verleend en bpm teruggegeven, maar een vergoeding voor bezwaarkosten geweigerd. Het hof heeft dat standpunt gevolgd. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de extra leeftijdskorting het gevolg is van een eigen keuze van belanghebbende over het moment van aangifte en tenaamstelling. Nu de belastingplichtige zelf bepaalt wanneer aangifte wordt gedaan en wanneer het kenteken op naam wordt gesteld, en het wettelijke systeem haar daartoe niet eerder verplicht, is er geen sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van art. 7:15 lid 2 Awb. De gegrondverklaring van het bezwa…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken