Hoge Raad 2021-03-26 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, zaaknummer 20/00706, cassatie. Kernvraag — Is art. 8 lid 3 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsregeling BPM), op grond waarvan de afschrijvingsvermindering van art. 10 lid 1 Wet BPM bij een schadevoertuig met essentiële gebreken pas mag worden vastgesteld nádat die gebreken zijn hersteld, verenigbaar met art. 110 VWEU? Feiten — Belanghebbende kocht een zwaar beschadigde gebruikte personenauto in Duitsland en bracht deze naar Nederland. Bij aanmelding bij de RDW op 21 januari 2015 voor inschrijving in het kentekenregister kreeg de auto een WOK-status (Wachten op keuren); de RDW weigerde hem een aangiftebiljet bpm te verstrekken. Nadat de essentiële gebreken waren hersteld, werd de WOK-status op 5 februari 2015 opgeheven en werd een aangiftebiljet uitgereikt. Belanghebbende deed aangifte en paste de afschrijvingsvermindering toe naar de toestand van de auto vóór herstel (77,71%), resulterend in een aangegeven bpm van € 2.388. De Inspecteur taxeerde de afschrijving na herstel op 35,46% en legde een naheffingsaanslag op. Het Hof 's-Hertogenbosch verklaarde art. 8 lid 3 Uitvoeringsregeling BPM onverbindend wegens strijd met art. 110 VWEU en vernietigde de naheffingsaanslag. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat art. 8 lid 3 Uitvoeringsregeling BPM een belemmering vormt om vóór herstel van essentiële gebreken aangifte te doen met inachtneming van de verminderin…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken