Hoge Raad 2023-03-03 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, zaaknummer 22/02928, cassatie. Kernvraag — Mocht het Hof oordelen dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt op basis van drie vergelijkingsobjecten, zonder nader in te gaan op de door belanghebbende aangedragen zes andere vergelijkbare en onbetwist vergelijkbare objecten die lagere verkoopopbrengsten lieten zien? Feiten — De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning [a-straat 1] te Amsterdam per waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 502.000. Ter onderbouwing verwees hij naar een taxatierapport gebaseerd op drie vergelijkingsobjecten in dezelfde straat. Belanghebbende wees op zes andere woningen in dezelfde straat, waarvan de vergelijkbaarheid niet in geschil was, die voor of na de waardepeildatum zijn verkocht voor lagere bedragen. Een gewogen vergelijking van alle negen objecten leidde volgens belanghebbende tot een waarde van € 457.209. Rechtbank en Hof oordeelden dat de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde aannemelijk had gemaakt en gingen niet nader in op de zes door belanghebbende aangedragen objecten. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, nu deze kon worden afgeleid uit het gewogen gemiddelde van drie vergelijkbare objecten. Hetgeen belanghebbende daartegen had aangevoerd deed daaraan geen afbreuk. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Overwegingen — De middel…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken