Rechtbank Den Haag 2019-04-02 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), 2 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3262, zaaknummer NL19.3261, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Of de door de staatssecretaris beschreven capaciteitsproblemen bij de behandeling van asielaanvragen een bijzonder geval opleveren in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, en welke voorziening de rechtbank in dat geval dient te treffen in plaats van het opleggen van een beslistermijn van twee weken. Feiten — Eiser, een Jemenitische asielzoeker, heeft op 10 juli 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft hierop niet tijdig beslist. Eiser heeft de staatssecretaris in gebreke gesteld; na het uitblijven van een besluit binnen twee weken heeft hij op 13 februari 2019 beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen. De staatssecretaris heeft verklaard niet in staat te zijn een termijn voor besluitvorming toe te zeggen vanwege een 40% hogere instroom van asielaanvragen in 2018 dan geraamd, capaciteitsgebrek en de noodzaak om opleidingen voor nieuwe medewerkers te verzorgen. Overwegingen — De rechtbank stelt vast dat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is en dat de staatssecretaris tot en met de uitspraakdatum meer dan 42 dagen in gebreke is, zodat de verbeurde dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb wordt vastgesteld op € 1.442,- (r.o. 3-4). Vervolgens buigt de rechtbank zich over de vraag of sprake is van een bijzonder geval al…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken