ECLI:NL:RVS:2019:1604

Raad van State 2019-05-29 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State, 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, zaaknummers 201506170/2/R2, 201506807/4/R2, 201506815/3/R2 en 201506818/3/R2, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Is de categorale vrijstelling van de Nbw/Wnb-vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland en de Omgevingsverordening Limburg 2014, verenigbaar met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn? En dienden de colleges van GS van Gelderland en Limburg handhavend op te treden tegen vier veehouderijen die deze activiteiten zonder Nbw-vergunning verrichtten? Feiten — MOB en Leefmilieu verzochten GS van Gelderland en Limburg handhavend op te treden tegen vier agrarische bedrijven (locaties in Aalten, Weert, Heijen en Haler) die zonder Nbw-vergunning vee weidden en mest uitreden. De colleges weigerden handhaving, onder meer omdat de staatssecretaris in maart 2015 had aangekondigd deze activiteiten vrij te stellen van de vergunningplicht. Die vrijstelling is vervolgens vastgelegd in provinciale omgevingsverordeningen. De Afdeling stelde in 2017 prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de uitleg van het begrip "project" in artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn en over de verenigbaarheid van categorale vrijstellingen met die bepaling. Het HvJ EU beantwoordde die vragen bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. Overwegingen — Begrip project (r.o. 4.1–4.3) Het HvJ EU heeft geoordeeld dat d…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken