Raad van State 2022-07-06 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864, zaaknummer 202106573/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Onder welke omstandigheden kan Nederland een vreemdeling niet met toepassing van de Dublinverordening overdragen aan een andere lidstaat wegens een reëel risico dat die vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 EU Handvest wordt uitgezet naar het land van herkomst (indirect refoulement)? Meer concreet: heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Denemarken dit risico meebrengt in het licht van het Deense beschermingsbeleid voor Syriërs? Feiten — De vreemdeling heeft de Syrische nationaliteit en heeft in 2015 een verblijfsvergunning asiel verkregen in Denemarken. Op 17 maart 2021 hebben de Deense autoriteiten besloten haar verblijfsrecht niet te verlengen; het Refugee Appeals Board heeft dit besluit op 9 juni 2021 bekrachtigd. Zij heeft vervolgens in Nederland een asielaanvraag gedaan. De staatssecretaris heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is; de Deense autoriteiten hebben die verantwoordelijkheid geaccepteerd. Niet in geschil is dat de Deense autoriteiten de regio Damascus als veilig gebied beschouwen, terwijl de staatssecretaris het Nederlandse landenbeleid voor Syrië handhaaft wegens de ernstige mensenrechtensituatie. Overwegingen — De Afdeling zet in r.o. 8 het uitgangspunt uiteen: de staatssecretaris mag bij de…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken