Centrale Raad van Beroep 2018-07-26 — Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288, zaaknummer 18/772 AW, hoger beroep. Kernvraag — Welke wegingsfactor dient te worden gehanteerd bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen? Feiten — De korpschef beëindigde het gebruik van de aan appellant ter beschikking gestelde dienstauto. Appellant maakte bezwaar en vroeg tevens om permanent een dienstauto te mogen gebruiken. Nadat de korpschef niet tijdig op bezwaar en aanvraag besliste, stelde appellant ingebrekestellingen. De korpschef kende uiteindelijk twee dwangsommen van elk € 1.260,- toe en besliste alsnog op de aanvraag bij besluit van 10 maart 2017. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens ontbrekend procesbelang en kende een proceskostenvergoeding toe met wegingsfactor 0,25 (zaak van zeer licht gewicht), resulterend in € 123,75. Overwegingen — Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 had gehanteerd en dat op grond van gewijzigde jurisprudentie — appellant wees op ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:591 — een wegingsfactor van 0,5 (licht gewicht) had moeten worden toegepast. De Raad stelt voorop dat de proceskostenvergoeding wordt berekend op grond van art. 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrec…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken