ECLI:NL:HR:2011:BO5046

Hoge Raad 2011-06-10 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, zaaknummer 09/02639, cassatie. Kernvraag — Is art. 6 EVRM van toepassing op een belastinggeschil over legesheffing, en heeft een belanghebbende bij overschrijding van de redelijke termijn aanspraak op vergoeding van immateriële schade? Feiten — Belanghebbende vroeg op 28 mei 2001 een bouwvergunning aan bij de gemeente Tilburg. De heffingsambtenaar legde op 20 juni 2001 een legesnota op van f 26.334,50, gebaseerd op een bouwsom van f 1.417.000 (tegenover de door belanghebbende geraamde f 650.000). Bezwaar werd ingediend op 31 juli 2001; de eerste uitspraak op bezwaar volgde op 26 februari 2002. Na gegrondverklaring wegens schending van het hoorrecht werd op 8 juli 2005 een tweede uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank Breda verklaarde het beroep op 9 augustus 2006 ongegrond; het Hof 's-Hertogenbosch bevestigde dit op 22 mei 2009 (uitspraak 18 september 2009). In hoger beroep maakte belanghebbende aanspraak op schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat art. 6 EVRM niet van toepassing is op een procedure inzake legesheffing en wees de aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd. Overwegingen — De centrale klacht is gericht tegen het oordeel dat art. 6 EVRM niet van toepassing is. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.3.1 dat in het midden kan blijven of het geschil…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken