Hoge Raad 2014-03-28 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, zaaknummer 12/05436, cassatie. Kernvraag — Moet bij de beoordeling of een erfdienstbaarheid op grond van art. 5:79 BW zou zijn opgeheven — en daarmee bij de vaststelling van de onteigeningsschadeloosstelling wegens verval van die erfdienstbaarheid — uitsluitend het belang van de gerechtigden worden betrokken, of mogen ook de belangen van de eigenaar van het dienende erf meewegen? Voorts: op welke wijze kan een eisende partij in een civiele procedure aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM? Feiten — De Gemeente De Bilt heeft twee percelen onteigend ter realisering van een bedrijventerrein. Op die percelen rustte een erfdienstbaarheid uit 1953 die bebouwing verbood. De heersende erven, oorspronkelijk onderdeel van een landgoed, zijn in de jaren '60 en '70 verkaveld tot circa 800 woningbouwpercelen. Door de onteigening verviel de erfdienstbaarheid op grond van art. 59 lid 3 Ow. Eisers, eigenaren van percelen aan de rand van de woonwijk, kwamen als tussenkomende partijen op voor schadeloosstelling wegens dat verval. Deskundigen hadden de schadeloosstelling begroot op € 6.250,-- per heersend perceel; de rechtbank stelde deze vast op nihil. Oordeel hof — Niet van toepassing; de bestreden uitspraak is een vonnis van de rechtbank Utrecht. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.4 voorop dat ingevolge art. 44 Ow bij de vaststel…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken