Hoge Raad 2016-04-05 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, zaaknummer 15/00430, cassatie (straf). Kernvraag — Is 'uitbuiting' een impliciet bestanddeel van art. 273f lid 1 onder 4° Sr, en levert het onder dwang of misleiding doen afsluiten van telefoonabonnementen door kwetsbare slachtoffers uitbuiting op in de zin van die bepaling? Feiten — Verdachte heeft drie personen (van wie één drugsverslaafde, één met een verstandelijke beperking en één jongere) ertoe gebracht om op één of enkele dagen telefoonabonnementen af te sluiten en de bijbehorende toestellen aan verdachte af te geven, tegen betaling van een klein geldbedrag, onder de valse belofte dat hun naam uit het systeem van de telecomprovider zou worden verwijderd. Het hof heeft verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde mensenhandel (art. 273f lid 1 onder 1° en 4° Sr); de subsidiaire feiten zijn wel bewezenverklaard. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat 'uitbuiting' als impliciet bestanddeel in art. 273f lid 1 onder 4° Sr besloten ligt en dat voor bewezenverklaring op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting moet komen vast te staan. Gelet op de aard en de korte duur van de activiteiten, de niet-noemenswaardige beperkingen voor de betrokkenen en het behaalde economisch voordeel, was naar het oordeel van het hof in geen van de drie gevallen sprake van uitbuiting; het hof sprak vrij van zowel het eerste als het vierde onderdeel van art. 273f lid 1 Sr. Overwegingen — In r.o. 2.4.2 oordeelt de…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken