ECLI:NL:HR:2017:1015

Hoge Raad 2017-07-04 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, zaaknummer 15/01629, cassatie. Kernvraag — Welke eisen mogen worden gesteld aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen in het licht van het ondervragingsrecht van art. 6 lid 3 aanhef en onder d EVRM, en was de afwijzing van de getuigenverzoeken door het hof begrijpelijk? Feiten — Verdachte is veroordeeld voor een reeks inbraken en diefstallen in Deventer in 2014. In hoger beroep verzocht de raadsman het hof meerdere getuigen te horen, waaronder ooggetuigen (feiten 1 en 3), een getuige over schoonmaakwerkzaamheden die relevant zouden zijn voor de waarde van DNA-bewijs (feit 5), een neef van verdachte die kon verklaren over een bezoek aan het inbraakadres vóór het gepleegde delict (feit 7), en twee getuigen wier verklaringen betrekking hadden op de herkenning op camerabeelden (feit 8). Het hof wees alle verzoeken af wegens onvoldoende onderbouwing. Oordeel hof — Het hof wees de getuigenverzoeken af omdat, gelet op de voorhanden processtukken, onvoldoende was onderbouwd welk belang daarmee voor de verdediging was gemoeid en waarom dat onderzoek van belang was voor enige door het hof te nemen beslissing. Het hof oordeelde dat verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging werd geschaad. Overwegingen — De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de verhouding tussen de nationale regels inzake getuigenverzoeken en art. 6 EVRM. In r.o. 3.3.2 citeert de Hoge Raad de driestapent…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken