ECLI:NL:HR:2018:1695

Hoge Raad 2018-09-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, zaaknummer 17/02947, cassatie. Kernvraag — Moet voor de heffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) de vraag of een personenauto nieuw of gebruikt is, worden beoordeeld naar het moment van aflevering of naar het moment van het belastbare feit (registratie in het kentekenregister)? Feiten — Belanghebbende, een in Nederland gevestigde B.V., kocht een nieuwe personenauto bij een dealer in Duitsland. De auto werd op 21 januari 2016 in Duitsland afgeleverd met een kilometerstand van circa 30, waarna met de auto ongeveer 3.000 kilometer in Duitsland werd gereden. Op 1 februari 2016 deed belanghebbende aangifte bpm en behandelde de auto als een gebruikte personenauto, met toepassing van de afschrijvingsvermindering van art. 10, leden 1 en 2, Wet bpm 1992. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de auto naar zijn oordeel als nieuw moest worden aangemerkt. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat de auto als nieuwe personenauto moest worden aangemerkt, omdat zij als nieuw aan belanghebbende was afgeleverd en belanghebbende zelf kon bepalen wanneer zij de auto in Nederland zou laten registreren. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 2.3.2 voorop dat het belastbare feit voor de bpm ingevolge art. 1, lid 2, Wet bpm 1992 de registratie in het kentekenregister is, dan wel — bij niet-geregistreerde motorrijtuigen die feitelijk ter beschikking staan van een in Nederland wonende of gevesti…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken