ECLI:NL:HR:2021:506

Hoge Raad 2021-04-09 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad (Belastingkamer), 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:506, zaaknummer 19/00104, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Vormt de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen (bbi's) niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering van art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) — omdat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn — een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal van art. 63 VWEU? Feiten — Belanghebbende is een naar Amerikaans recht opgerichte beleggingsinstelling (Regulated Investment Company) zonder vaste inrichting in Nederland. Zij hield in de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011 belangen van minder dan vijf procent in diverse Nederlandse (beurs)vennootschappen, waarop vijftien procent dividendbelasting werd ingehouden. Verzoeken om teruggaaf van die dividendbelasting werden door de Inspecteur afgewezen. Niet in geschil is dat belanghebbende noch op grond van de Nederlandse wet, noch op grond van het belastingverdrag Nederland–VS een wettelijk recht op teruggaaf heeft. In hoger beroep legde het Gerechtshof 's-Hertogenbosch drie prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. Nadat de Hoge Raad bij arrest HvJ 30 januari 2020, C-156/17 (Köln-Aktienfonds Deka) nadere Unierechtelijke uitleg had verkregen, beantwoordde hij vraag 1. Overwegingen — De Hoge Raad stelt voorop dat hij in zijn eerdere prejudiciële beslissing van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674) is teruggekomen…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken